Commissie
Daar zat ze, op een ouderwetse kale houten stoel. Naast haar zat haar collega. Voor haar stond een lange houten tafel met erachter… het Sanhedrin, vijf mannen in zwarte pakken, en één vrouw in een donkerblauw mantelpakje. Het was een oud gebouw, het rook er muf, de balken waren kaal, en de ramen zaten hoog, je kon niet naar buiten kijken.
Haar handen waren warm en zweterig. Haar hart klopte in haar keel. Ze keek haar collega even aan, ze glimlachten naar elkaar. Er was, ondanks de spanning even het gevoel ‘Ons krijgen ze niet klein.’ Maar dat duurde maar heel even, ze waren al snel heel klein.
Twee zwarte vlechtjes
De vrouw was huisarts, twee mannen meester in de rechten, een ouderling, en over de andere twee mannen hadden ze niets kunnen vinden.
Eén man schraapte zijn keel. ‘U weet waarvoor u hier bent.’ Ze knikte. ‘Staat u nog achter dat wat u gedaan heeft.’ Ze knikte weer. ‘Heeft u wel enig idee gehad, dat uw gedrag zeer nare gevolgen zou kunnen hebben voor de ouders van het kind?’ Ze schudde haar hoofd. Zachtjes: ‘Nee.’ De man schudde wrevelig zijn hoofd, en de anderen fronsten hun wenkbrauwen. ‘U heeft niet aan de ouders gedacht toen u het AMK belde?’ Nee, aan hen had ze niet gedacht. Haar collega veerde omhoog. ‘We hebben alleen maar aan het kind gedacht, we hebben alleen er maar aan gedacht dat het moest stoppen voor Leandra.’ Ze ging weer zitten, en legde haar hand op haar arm. Ze keek dankbaar naar haar op. Ja, zo was het. En ze zag het lieve kind, met haar lichtbruine huid, haar zwarte vlechtjes en de reebruine ogen weer voor zich. Een stil kind. Ze had zich altijd zo machteloos gevoeld als ze weer in haar eentje op het schoolplein speelde, nooit een antwoord gaf op vragen in de klas. Totdat ze vertelde wat er thuis gebeurde. Toen kon ze niet meer machteloos toezien. Toen maakte ze melding.
Tussen vier muren
‘Wat heeft u verteld tegen het AMK,’ vroeg de vrouw. ‘Dat zeg ik niet.’ ‘Dat zégt u niet?’ De vrouw keek geërgerd naar de mannen die naast haar zaten, alsof ze hen om hulp vroeg. Er klonk gemompel. Maar dít wist ze zeker. Dit zou ze nooit vertellen, ‘U kunt er van op aan, dat dit tussen deze muren blijft,’ begon de man, met het kleine grijze snorretje. Ze keek naar de muren, de ramen, en dacht: ‘Ik vertrouw die muren voor geen cent.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Dit zeg ik niet.’
‘Snapt u dat het verschrikkelijk als je kinderen uit huis worden geplaatst?’ Ja, dat had ze verschrikkelijk gevonden toen het kind, voor een poosje, uit huis was geplaatst. Verschrikkelijk. Hoe valt je wereld uit elkaar als je ineens bij iemand anders aan de ontbijttafel zit, je tanden poetst in een andere badkamer, welterusten zegt tegen andere mensen, en dan in een onbekend bed liggen, zonder dat je allemaal begrijpt waarom.
Ineens wist ze het nog
Het is nu 15 jaar geleden. Ze dacht dat ze dit alles een plekje gegeven had, Ze had afscheid van het onderwijs genomen, en was kunstenaar geworden. Intussen had ze zeven boeken geïllustreerd. De gesprekken met verschillende ouders, hun schrik, hun, soms boze woorden had ze begrepen, en ze was heel gelukkig in haar nieuwe vak. En toen kwam ze haar oude directeur tegen, Pim, die in die periode zo stevig achter haar gestaan had, die het hele personeel zo gesteund had. Het was bij de hema in het naburige stadje. ‘Hé, wat leuk dat ik je tegenkom, wat fijn, hoe is het en wat hebben we een fijne tijd gehad hė, op school, én een moeilijke tijd. Weet je nog van die boze ouders, weet je nog van die moeder die vond dat we geen kwaad voor kwaad moesten vergelden en die vader die zei ‘Als je zonder zonde bent, mag je de eerste steen werpen.’ En weet je nog van …’ Ze wist het nog. Ineens wist ze het nog.
Oude pijn
Thuis was ze in een stoel gaan zitten, en had uren naar buiten gekeken. Ze hoorde het gerinkel van de tram niet, de piepjes van haar telefoon drongen niet tot haar door, en toen het tegen acht uur werd, bedacht ze dat ze misschien maar moest gaan eten. Ze was van slag, deerlijk van slag.
En na een week, weinig slapen, niet koken, geen penseel in haar hand, besluit ze haar collega van toen te bellen. ‘Weet je nog?’ En natuurlijk wist zij ook nog.
Ze heeft haar penseel weer opgepakt, haar spotify lijst weer aangeklikt. Ze ziet de trams weer voorbij tringelen. En ze weet. Soms denk je dat je iets verwerkt hebt, en soms blijkt dat nog niet helemaal waar te zijn.
En hoe het is met dat lieve meisje met haar zwarte vlechtjes, dát weet ze niet.
Naast haar stoel ligt een stapeltje boeken. Ontdekt via internet. Die gaat ze uitdelen. Hoe, daar moet ze nog even over nadenken, maar het moet stoppen, die ellende.

Kippenvel. 🥲
😘
Lieve Geertje , je hebt het goed gedaan 😘
❤️