Beste vriend
Ze zit in een bruin cafeetje in Amsterdam te wachten. Voor haar staat een bakje cappucino, met heerlijk veel schuim, ernaast een klein kokoskoekje. Ze heeft zin in de ontmoeting. Het is al zo lang geleden dat ze hem gezien heeft. En wat hebben ze het leuk gehad samen.
Zes jaren lang hebben ze met elkaar opgetrokken. Bij de vakken die ze samen volgden, zaten ze naast elkaar en in de pauzes zochten ze elkaar op. En elke avond zaten ze aan de telefoon, urenlang, te kletsen. Over de leraren, de andere leerlingen, de wereld, de natuur, God. De vaders zeiden: ‘Nu heb je elkaar de hele dag gezien, heb je dan nog niet alles besproken?’
In de vakanties zagen ze elkaar ook. Zij leerde zeilen, proefde voor het eerst camembert en hoorde dingen over de politiek die ze eerder nooit hoorde.
Na de middelbare school zagen ze elkaar een enkele keer, het verwaterde. Ze stuurden elkaar wel eens een brief, later werden het appjes. Ze wisten elkaars adres, ze kenden de namen van hun kinderen, ze waren op de hoogte van elkaars bezigheden, hun beroep. En dat was het dan.
Vertrouwd
En nu zouden ze elkaar voor het eerst sinds jaren weer zien. Klaas was de jongen bij wie ze altijd zo zichzelf kon zijn. De enige bij wie ze zonder eerst te denken, haar gedachtes kon vertellen. Bij wie geen onderwerp te gek was, geen mening idioot. Hij was vertrouwd, dat was het.
Je was altijd zo begaan
En daar is hij dan. Ze ziet het direct. Hij heeft een cowboyhoed op, zijn houding een beetje gebogen, zijn slordige kleding en zijn groene ogen… Ze springt op, en ze knuffelen, en ze weet het, dit is Klaas, haar beste vriend van toen.
Het is zo makkelijk om met hem te praten. Hij vertelt wat hij is gaan doen na zijn pensioen, hoe het gaat met zijn drie zoons, zijn vrouw, met wie hij al 40 jaar samen was. Wat is het heerlijk om naar hem te luisteren. En natuurlijk, ze gaan verder waar ze gebleven waren. En dan uit het niets stelt ze de vraag ‘Waar heb jij op gestemd?’ ‘Ik heb deze keer op Ja21 gestemd,’ zegt hij bedachtzaam. Ik ben het meer eens met Wilders, maar ik had zo maar het idee, dat het slimmer was om Ja21 te stemmen. Ze schrikt. ‘Echt?’ En je was altijd zo begaan met de dieren, de armen, de vreemdelingen.
Fascisme?
Het duurt niet lang of het gesprek verdiept, net als toen, maar dan anders. Over de klimaatcrisis (maar jij was toen net zo ongerust als de Club van Rome toch?), over bestaanszekerheid (maar jij verkocht toch bloemenzaadjes om de opbrengst aan de armen te geven?), over de asielcrisis (maar jij maakte je toch zo druk om de woningnood van de gastarbeiders, daar kon je niet van slapen?)
Ze praten verder over toen en nu. Terwijl hij steeds meer betoogt en oreert, wordt zij steeds stiller. ‘Maar maak jij je dan niet ongerust dat de moslims zondebok geworden zijn, dat Wilders journalisten het tuig van de richel noemt. Vind je het niet eng dat de wetenschap vaak genegeerd wordt. Vind je de slogan ‘Nederlanders eerst’ niet verdacht? Waar is de barmhartigheid?’ Ze stopt.
Zijn we elkaar kwijt?
Hij kijkt haar aan. Ze ziet zijn vriendelijke groene ogen. ‘Maar je huilt,’ schrikt hij, ‘je bent van slag. Zullen we ergens anders over praten?’
Ze bestellen een wijntje. ‘jij dronk nooit, toch?’ zegt hij. Nee, ze dronk nooit, maar nu even wel.
Ze proberen het nog. Hoe gaat het thuis, de liefde, de kinderen, de kleinkinderen, de hobbies, de idealen. Maar het lukt niet meer.
En als ze van elkaar afscheid nemen, fluistert ze: ‘Zijn we elkaar nu kwijt?” ‘Hij haalt licht zijn schouders op. ‘Ik weet het niet.’
Dat weet ik
’s Avonds zit ze naast haar lief. Hij heeft de houtkachel aangestoken, Johnny Cash zingt op de achtergrond. En de warme apfelstrudel ligt op haar bordje.
‘Hoe was het, lieverd?’ Ze vertelt het hele verhaal. ‘Ik denk dat ik hem kwijt ben,’ eindigt ze. Ze begint weer te huilen. ‘En ik vind het zo erg.’
Hij geeft haar een kneepje in haar bovenarm. ‘Dat weet ik lieverd.’
Dit is fascisme
Zeven dagen is ze aan het piekeren, zuchten en klagen. En, precies een week later, zet ze een cake in de oven, steekt ze een kaarsje aan en begint te schrijven.
En dan, dan, wordt er op de luiken van haar schip gebonsd. ‘Is er iemand thuis?’ En daar boven op het dek, daar staat Klaas. ‘Ik kom even bij je kijken.’ Ze trekt hem mee het trapje af, haalt de cake uit de oven. ‘Ben je nu speciaal voor mij uit Amsterdam gekomen.’ Hij knikt. ‘Ik wil niet dat deze vriendschap over gaat.’
Ze praten weer over van alles, en als haar lief erbij komt, nemen Klaas en hij het gesprek over. Zij kunnen over van alles praten, zonder oordeel, zonder pijn. Als ze even later bij zijn auto afscheid nemen, pakt hij een pakje uit zijn auto. ‘Ik dacht dat dit boek wel in jouw straatje past.’ Ze pakt het uit, en leest ‘Dit is fascisme.’
‘Nu krijg je weer tranen in je ogen,’ merkt hij op. Ze geeft hem een dikke knuffel. ‘Dit laten we niet meer gebeuren, he.’ Wat kriebelt zijn baard heerlijk in haar gezicht.
’s Avonds zit zij met haar lief, ieder in een heerlijk luie stoel, een kleedje over haar benen, de kachel geeft zijn knusse warmte af. Op haar schoot ligt het boek Dit is fascisme. Ze kijkt even op, raakt zijn hand aan. ‘Ik ben zo blij en opgelucht.’ ‘Ik weet het lieverd,’ zegt hij dan.
En dat is nu waarom ze zoveel van hem houdt.
In dit artikel vind je het boek in het kort. Voor als je geen tijd hebt het boek te beluisteren of te lezen.

Lieve Geertje , dit is weer zo’n heerlijk eerlijk verhaal waar je kippevel van krijgt. Dank je 😘
oh, fijn zeg!
je hebt onder woorden gebracht waar we allemaal wel eens mee zitten. dank je.
Ja he, we hebben zoveel gemeenschappelijks, levend op onze planeet